‘We’ zijn er al sinds 2016 (wet DBA) mee bezig (eigenlijk natuurlijk al veel langer): het vaststellen van het verschil tussen een echte zelfstandig ondernemer en een onechte, de ‘schijnzelfstandige’. De echte ondernemer krijgt wat fiscale voordelen + de nodige administratieve en fiscale verplichtingen, de onechte krijgt problemen (of beter: zijn ‘opdrachtgever’ krijgt die). De wet uit 2016 (DBA dus) begon voorspoedig, maar liep al snel vast in de juridische modder en vervolgens in de Coronaperiode. De vorige regering pakte het weer op, maar kreeg de vaart er ook niet in en de nog even zittende regering probeerde het met een nieuwe regeling (de VBAR) die ook al niet op veel enthousiasme en medewerking kon rekenen.
De komende regering heeft weer andere ideeën. Sinds DBA ging de discussie eigenlijk vooral over vorm en inhoud van de overeenkomst tussen opdrachtgever en opdrachtnemer en hoe die overeenkomst stond t.o.v. wat er feitelijk op de werkvloer gebeurde. De komende regering gaat daar ook naar kijken, maar begint te kijken of de opdrachtnemer een echte ondernemer is, of althans: zich zo gedraagt. Is dat niet zo dan houdt de discussie daar al op: geen ondernemerschap. Is dat wel zo, dan wordt gekeken of de werkverhoudingen ook dusdanig zijn dat er sprake er is van een echte ondernemersverhoudingen.
Eigenlijk zijn we daarmee dan dus weer terug voor 2016, toen -wie herinnert het zich nog- bestond er de ‘zelfstandigheidsverklaring’. Dat was ook geen garantie, maar een goed begin. Wie zich verder wat wil inlezen kan ik Higherlevel aanraden. En deze ook.
